Voorbereidingshandelingen hennepkwekerij strafbaar

Ook de voorbereidingshandelingen voor een hennepkwekerij zijn strafbaar. Dus ook wanneer de politie enkel een hennepkwekerij aantreft zonder de bijbehorende hennepplanten kan er sprake zijn van strafbaar handelen van de verdachte. Het voorbereiden van hennepteelt (een hennepkwekerij) is per 1 maart 2015 strafbaar gesteld in artikel 11a Opiumwet.:

Wetsgeschiedenis

De voorbereidingshandelingen voor hennepteelt zijn strafbaar gesteld om zo de handelingen in de voorfase expliciet strafbaar te stellen. In de Memorie van Toelichting lezen we hierover het volgende terug:

Gelet op de hierboven beschreven ontwikkelingen met betrekking tot de illegale hennepteelt en de ervaringen die met het huidige strafrechtelijke instrumentarium zijn opgedaan, zijn wij van oordeel dat het gerechtvaardigd is ook de voorbereiding of bevordering van overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot lijst-II-middelen als zelfstandig delict in de Opiumwet op te nemen. Van deze verruiming van de strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt ook een preventief effect verwacht, namelijk dat mensen kritischer zijn bij het aannemen van opdrachten tot levering van goederen en het verstrekken van diensten of het verhuren of anderszins beschikbaar stellen van ruimten in gevallen dat daartoe aanleiding bestaat.

Bij de redactie van het voorgestelde nieuwe artikel 11a van de Opiumwet is aansluiting gezocht bij de algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in artikel 46 Sr, de voorbereiding van valsheidsdelicten (artikelen 223 Sr en 234 Sr) en artikel 10a van de Opiumwet. De opsomming van de gedragingen in het voorgestelde nieuwe artikel 11a van de Opiumwet vormen de juridische inkadering van het hierboven beschreven complex van handelingen die rond illegale teelt van hennep plaatsvinden, maar overigens niet tot deze drug beperkt hoeven te blijven. De strafbaarheid ontstaat doordat betrokkene weet dat een en ander bestemd is om de overtredingen van artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet te plegen, maar ook in de gevallen waarin betrokkene ernstige redenen heeft om zulks te vermoeden. De keuze voor de vormgeving van het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet – waarin naast de opzetvariant ook een culpavariant is opgenomen – is mede ingegeven door de aard van de gedragingen waarop de strafbaarstelling ziet. Bij en rond de illegale hennepteelt is er per definitie sprake van schimmige vormen van samenwerking. Dit brengt mee dat niet steeds met scherpte te onderscheiden zal zijn of er sprake is van opzet dan wel culpa, terwijl dit onderscheid er voor het lakenswaardige van de gedraging niet toe hoeft te doen. Het kabinet acht het wenselijk dat ook in gevallen van verwijtbare of wellicht gefingeerde naïviteit strafrechtelijk kan worden opgetreden en verwacht dan ook met deze strafbaarstelling een effectiever optreden tegen dergelijk gedrag. Blijkt tijdens het strafproces dat de ten laste gelegde gedraging de culpose variant van het misdrijf betreft, dan kan de rechter dit betrekken in de algehele afweging van factoren die bij de straftoemeting van belang zijn ten aanzien van strafsoort en strafmaat. Het wordt overigens weinig zinvol geacht om in de memorie van toelichting theoretische voorbeelden te geven van situaties waarin aan het bestanddeel «ernstige reden om te vermoeden» is voldaan. Het gaat immers om elke casuspositie die ook in de opzetvariant denkbaar is. Daarbij kan de dader evenwel geen opzet worden verweten, maar wel dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat zijn handelen strekte tot voorbereiding of vergemakkelijking van grootschalige hennepteelt.

Bij de huidige wijze van functioneren van growshops zal er snel voldoende bewijs zijn voor het bestaan van de wetenschap bij de growshophouder of -medewerker. Immers, growshops e.d. bestaan bij de gratie van de illegale hennepteelt, hetgeen alleen al uit de door hen gekozen openbaarmakingen duidelijk blijkt. Verder worden het assortiment en de geboden informatie en expertise opzettelijk aangeboden met één doel: de hennepteelt. In dit verband kan worden gewezen op producten als de koolstoffilter en de zogenoemde «kniptrommel» en «ice-o-lator» die specifiek worden ingezet en aangeboden voor de hennepteelt. Daarentegen zal ten gevolge van het vereiste dat de stoffen, voorwerpen etc. bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten er gewoonlijk geen sprake zijn van bewijs voor dit strafbare feit tegen de vele tuincentra en land- en tuinbouwcentrales, die op de gebruikelijke wijze materialen verkopen voor de binnenteelt van planten en groenten.

In het bovengenoemde rapport «De wereld in de hennepteelt» wordt op bladzijde 100 er op gewezen dat growshops zullen proberen hun activiteiten in andere, ogenschijnlijke onschuldige vormen, voort te zetten. Daarbij wordt een scenario geschetst, waarbij de activiteiten van een growshop worden verdeeld over (op papier) afzonderlijke firma’s, zodat men op het ene adres de plantenbakken en potaarde gaat verkopen en op een tweede adres de groeilampen en op een derde adres andere materialen. Bij de rechter kan dan, aldus het rapport, worden verdedigd dat de verkoopadressen geen andere activiteiten ontplooien dan reguliere tuincentra. Afgezien van het feit dat het hier slechts een scenario betreft,

valt niet te ontkennen dat onder de geschetste omstandigheden het leveren van bewijs voor overtreding van artikel 11a Opiumwet minder eenvoudig zal zijn, maar daarmee nog niet onmogelijk. Bovendien wordt uit het scenario tegelijkertijd duidelijk, dat de wetswijziging er onvermijdelijk toe zal leiden dat aan het bestaande laagdrempelige en alomvattende aanbod van growshops een einde komt, hetgeen de illegale hennepteelt zal bemoeilijken en dus zal terugdringen. Dat is het doel van de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen.

Het bewijs van een «ernstige reden om te vermoeden» kan soms uit de gedraging zelf worden afgeleid, maar meestal zullen de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaats gevonden daarvoor (mede) bepalend zijn. Aan de hand van type goed of dienst waar het om is gegaan al dan niet in combinatie met de (kring van) personen aan wie de goederen of diensten zijn geleverd en de wijze waarop en de plaats waar dat is gebeurd, kan bewezen worden geacht dat betrokkene een ernstig vermoeden had, dat deze bestemd waren voor de illegale productie en handel in lijst-II-middelen. Tuincentra en land- en tuinbouwcentrales zullen zich ervan bewust moeten zijn dat er door het verdwijnen van growshops mogelijk een groeiende vraag ontstaat naar producten die in de illegale hennepteelt worden gebruikt en zullen daarmee rekening moeten houden bij hun bedrijfsvoering. Ook van hen wordt derhalve een kritische blik verwacht.”

Wanneer voorbereidingshandelingen hennepteelt?

Wanneer er sprake is van voorbereidingshandelingen bij hennepteelt, is steeds per casus verschillend. Het gaat steeds om de combinatie van goederen die worden aangetroffen; De verkoop van alleen assimilatielampen, kweektenten of koolstoffilters is per definitie niet verboden. Als er meer dan twee soorten materialen aanwezig zijn filters, lampen en voedingsmiddelen, kan er sprake zijn van strafbaarheid.

Zo kan ook een op de hennepteelt ingerichte kwekerij strafbaar zijn, maar voldoende moet blijken dat het echt gaat om hennep die daar zou worden geteeld.

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden