Betrokkenheid partner en overige huisgenoten bij hennepteelt

Een bijzondere positie nemen altijd de partner en de overige huisgenoten in. Als zij ook weten van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in hun woning, kunnen zij hiervoor ook strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden via de constructie van het medeplegen. Van hen wordt eigenlijk verwacht dat zij zich distantiëren, door elders te gaan wonen. Toch gaat die opvatting te ver, zoals ook wel blijkt uit verschillende andere uitspraken.

Voor medeplegen van hennepteelt is meer vereist dan dat het enkel gedogen van de aanwezigheid van een door een ander opgebouwde en geëxploiteerde hennepkwekerij. Dit zien we o.a. in een uitspraak van de Rechtbank Zutphen, 16 februari 2007, ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ8696. In die zaak ging het om een grote ondergrondse hennepkwekerij die toebehoort aan de zoon van de verdachte. De rechtbank overweegt als volgt:

“Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Het is niet vast komen te staan dat er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn zoon ten aanzien van de in het dossier als locatie 1 aangeduide hennepkwekerij, dat er sprake is van medeplegen. Verdachte wist dat zijn zoon daar een hennepkwekerij had en heeft daar niet tegen opgetreden. Niet is gebleken dat verdachte zelf zou delen in de winst van het strafbaar handelen of dat hij meer heeft gedaan dan alleen het ter beschikking stellen van die locatie. 
Ten aanzien van de in feit 2 bedoelde ondergrondse hennepkwekerij, locatie 3-4, is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de aanleg van die kwekerij en/of betrokken is geweest bij het in werking houden daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van (mede)plegen. Gelet op de grootte van die ondergrondse kwekerij en de hoeveelheid werkzaamheden die moeten worden verricht om een kwekerij van dat formaat aan te leggen en in werking te houden, is het naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig dat verdachte niet heeft geweten dat zijn zoon een ondergrondse kwekerij had aangelegd en dat hij deze in werking hield, doch medeplichtigheid ten aanzien van deze locatie is niet ten laste gelegd.”

Dus onvoldoende bewijs voor medeplegen van de hennepteelt, maar op zich wel voldoende voor medeplichtigheid, alleen dat was niet aan de vader ten laste gelegd. Vrijspraak volgde.

Zie ook:

Het enkele feit dat verdachte op de hoogte was van de hennepplantage in zijn woning, brengt niet mee dat er sprake was van enige vorm van samenwerking, gericht op telen van hennep
Gerechtshof Leeuwarden, 25 juli 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2942
In deze zaak ging het om een verdachte die in het buitenland verbleef terwijl in zijn woning een hennepkwekerij was.
Het hof oordeelde als volgt in deze zaak:

“Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte bij het onder 1 primair ten laste gelegde zodanig nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen bij het telen van hennep, dat verdachte als medepleger hiervan kan worden aangemerkt. Het enkele feit dat verdachte op de hoogte was van de hennepplantage in zijn woning, brengt immers niet mee dat er sprake was van enige vorm van samenwerking, gericht op telen van hennep (vgl. HR 15 februari 2011, LJN BP0068).”

Het hof verwijst hier naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2011 waarin de volgende omstandigheden onvoldoende bleken te zijn voor het bewijs van het medeplegen van hennepteelt of het aanwezig hebben van de hennepplanten:

Het bewijs dat de verdachte die hennepplanten tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld en aanwezig gehad, ontleent het hof,

–  verdachtes eigen verklaring inhoudende dat hij een reservesleutel heeft van de deur die toegang tot de benedenverdieping van de door hem gehuurde woning geeft,
–  dat de verdachte volgens deze verklaring hij sedert 2001 woonachtig is en volgens ook op 9 maart 2007 aanwezig was
–  aan het proces-verbaal van de verbalisanten, dat de ramen van de woning  beslagen waren en een meer dan normale vochtafzetting vertoonden, dat de deur naar de benedenverdieping van die woning, alwaar de hennepkwekerij is aangetroffen, openstond en dat vanuit die deuropening een meer dan normale vochtige lucht kwam, een eentonig zoemend geluid hoorbaar was en een dikke flexibele luchtslang zichtbaar was,
– alsmede aan het gegeven dat blijkens het onder 9 opgenomen bewijsmiddel in het portiek een hennepgeur te ruiken was.

Partner wist van de hennepkwekerij, toch geen medeplegen hennepteelt
Hoge Raad, 14 oktober 2014, ECLI:NL:2014:2967
Verdachte en haar partner runnen een winkel. Financieel gaat het slecht. Partner bespreekt met haar het plan om hennepplanten te gaan kweken. Partner regelt dit verder, richt de kwekerij in en verzorgt de planten. Verdachte weet er dus van en verzet zich niet. Ook profiteert zij ervan omdat een gedeelte van de schuld wordt afgelost. Toch vindt de Hoge Raad niet dat er sprake is van het medeplegen van het telen van hennep.

Zie ook Gerechtshof Amsterdam, 16 mei 2014, ECLI: GHAMS:2014:1808.
“Het hof is van oordeel dat, hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte naar aanleiding van financiële zorgen heeft ingestemd met en betrokken is geweest bij (de inrichting van) de hennepkwekerij en dat zij en haar echtgenoot als gezin hebben geprofiteerd van opbrengsten daarvan, niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan, dat sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, gericht op de planning en de uitvoering van het feit, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd.
Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat het voor de verdachte, die met haar kinderen en de medeverdachte de woning deelde, ook niet goed mogelijk is geweest zich te distantiëren van de door haar echtgenoot opgezette hennepkwekerij.”

—————————————————————————————-

Zie verder;

  • Rechtbank Overijssel, 20 februari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:927: verdachte stond op het punt om op vakantie te gaan. Verder geen bewijs van betrokkenheid
< Terug naar Meer informatie "medeplegen en medeplichtigheid"
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden